--- ---

De arbeidsmarkt in de VS verkeert volgens de statistieken in blakende gezondheid. Het is lang geleden dat de cijfers over de volle breedte zo goed waren. De krapte op de arbeidsmarkt begint zich te vertalen naar stijgende lonen. Het meest recente cijfer over november laat een loon- en salarisstijging in de overheids-, industrie- en dienstensector zien van 4,47% ten opzichte van dezelfde maand in 2016. Het momentum is de laatste maanden sterk stijgend. Ook het recent verschenen gemiddelde uurloon cijfer (Average hourly earnings) over januari steeg met 2,9%  op jaarbasis. Dit was de grootste stijging sinds juni 2009. Hogere lonen wijzen in de regel op dalende werkloosheid. En hoe lager het werkloosheidspercentage c.q. hoe krapper de arbeidsmarkt, des te hoger de opwaartse druk op de lonen.

Dit effect is goed terug te zien in de bovenstaande grafiek “US Wages and Salaries Growth versus US Unemployment Rate” in de periode 2003 t/m 2006. Het tegenovergestelde geldt uiteraard ook. Hoe meer de werkloosheid oploopt, des te meer vertraagd de groei van de lonen (zie grafiek van periode 2007 t/m 2009). Op dit moment verkeren wij duidelijk in een fase waarin de werkloosheid laag is waardoor er een stijgende lijn zit in de lonen. Eigenlijk eenzelfde soort situatie als eind 2006. Was er destijds iemand die wees op de mogelijkheid dat de trend zou keren? Vast wel, maar de meerderheid extrapoleerde simpelweg de ingezette richting. Oftewel, hoogstwaarschijnlijk blijft de werkloosheid laag en de salarisgroei gemiddeld hoog. De vooruitzichten zijn dus economisch gezien goed. Hogere salarissen resulteren in meer koopkracht wanneer het groeipercentage hoger ligt dan de inflatie.

Maar een hoger netto besteedbaar inkomen zal waarschijnlijk ook resulteren in een toenemende vraag waardoor de economie nog beter gaat draaien. Met de werkloosheid op een langjarig dieptepunt geeft dit nog meer opwaartse druk op de lonen. Een loon-prijsspiraal dreigt. Dit was dan ook de belangrijkste reden dat beleggers schrokken van de sterk stijgende uurlonen begin februari. Een toenemende inflatie betekent volgens beleggers kans op meer rentestijgingen. Een hogere rente is negatief voor obligaties, maar maken ook vastgoed en aandelen relatief minder aantrekkelijk. Daarnaast betekenen hogere lonen meer arbeidskosten wat de winstmarges onder druk zet. Een krappe arbeidsmarkt betekent ook een tekort aan goed gekwalificeerd personeel. Als de productiefactor arbeid een bottleneck vormt, dan kan productiegroei niet of nauwelijks gerealiseerd worden. En als de productie beperkt wordt, dan zal de economische groei hiervan ook hinder ondervinden.

Het verband tussen loongroei en werkloosheidspercentage wordt ook wel aangeduid met behulp van de Phillips curve. Dat de lonen volgens de laatste cijfers naar boven verrassen, verbaast mij niet.

Maar de arbeidsmarkt bevat nog meer belangrijke informatie voor de belegger. Een ander verband wordt omschreven via de “Beveridge curve. Deze curve is een grafische weergave van de relatie tussen de hoogte van de werkloosheid en het aantal vacatures (% niet ingevulde banen uitgedrukt in een % van de beroepsbevolking). Volgens William Beveridge is het verband hyperbolisch dalend. Een hogere werkloosheid gaat normaal gesproken gepaard met een lager aantal vacatures (zie bovenstaande grafiek “US Beveridge Curve”, bron: Wikipedia). Als na verloop van tijd de curve zich naar buiten verplaatst, zou een bepaald niveau van vacatures geassocieerd worden met een hoger niveau van werkloosheid. Dit betekent volgens Beveridge een afnemende efficiënte op de arbeidsmarkt. Inefficiënte arbeidsmarkten zijn het gevolg van mismatches tussen beschikbare banen en werklozen. Daarnaast speelt ook de immobiliteit van de beroepsbevolking een rol.

De relatie van de Beveridge curve komt prima tot uitdrukking in bovenstaande grafiek. Sinds het werkloosheidspercentage daalt, stijgt het aantal vacatures. Het verloop van het werkloosheidspercentage is veel stabieler dan het maandelijkse vacaturecijfer. Trendomslagen in de economische cyclus zijn beter zichtbaar door het volgen van het werkloosheidscijfer. Desalniettemin is het zeker zinvol om het verloop in het aantal vacatures goed te volgen. Een verandering van trend kan een signaal zijn dat het werkloosheidspercentage ook van trendrichting gaat veranderen. De laatste maanden neemt het aantal vacatures stapsgewijs af terwijl het werkloosheidspercentage al een paar maanden stabiel ligt op 4,1% van de beroepsbevolking.

Gaat de werkloosheid binnenkort stijgen?

Staat de economie aan de vooravond van afnemende economische groei? De plannen van Trump lijken dit te voorkomen. Maar voor economische groei zijn mensen nodig en/of een hogere productiviteit. Waarschijnlijk zullen de huidige werklozen niet de meest hoogopgeleiden zijn of gemiddeld genomen de besten op hun vakgebied. De economie lijkt tegen zijn eigen grenzen aan te lopen.

Het verloop van het werkloosheidspercentage lijkt een hoog voorspellend karakter te hebben. De arbeidsmarktindicator zegt iets over de vermoedelijke loongroei (Phillips curve), over het aantal vacatures (Beveridge curve), maar ook over het beurssentiment. Al jarenlang lijkt er een sterk negatief verband te bestaan tussen de aandelenbeurs en het werkloosheidspercentage. Inzicht in de interactie tussen alle variabelen kan dus zeer profijtelijk zijn bij de samenstelling van een beleggingsportefeuille. Stijgende werkloosheid zal hoogstwaarschijnlijk vooraf worden gegaan door een afname van het aantal vacatures. Wanneer de werkloosheid stijgt, zullen lonen weer dalen waardoor de dreigende loon-prijsspiraal naar de achtergrond verdwijnt. Dit is positief voor investment-grade obligaties. Stijgende werkloosheid gaat naar alle waarschijnlijkheid gepaard met dalende aandelen- en vastgoedbeleggingen.

Voor de Nederlandse economie zijn dezelfde wetten van toepassing. De lonen zullen normaliter steeds sterker stijgen naargelang de arbeidsmarkt krapper wordt. Ook geldt naarmate de werkloosheid daalt, het aantal vacatures stijgt.

Uit de bovenstaande 2 grafieken met betrekking tot Nederland zijn op hoofdlijnen dezelfde relaties zichtbaar. De Phillips en Beveridge curve zijn ook van toepassing op de Nederlandse arbeidsmarktcijfers. Maar wat opvalt is dat de relatie tussen het werkloosheidscijfer van Nederland en de stand van de AEX veel minder scherp is. Het dieptepunt in de AEX na het uitbreken van de kredietcrisis viel bijna in tijd gelijk met het dieptepunt van de werkloosheid (zie onderstaande grafiek). Toen de werkloosheid in Nederland begon op te lopen, reageerde de AEX positief in plaats van negatief. Een tegenovergesteld verband ten opzichte van de VS.

Het lijkt of onze AEX veel meer afhankelijk is van de Amerikaanse werkloosheid dan van het Nederlandse cijfer.

Wat kan hiervan de reden zijn? Voor mij is de belangrijkste reden de flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Na het uitbreken van de kredietcrisis werden honderdduizenden Amerikanen op straat gezet. Het werkloosheidspercentage steeg in no time van ca. 4,2% naar ca. 10% van de beroepsbevolking. Een stijging die geen 2 jaar heeft geduurd. Het sociale vangnet in Nederland is veel steviger. Bij ons duurde het van dal tot top in de werkloosheidsgolf ca. 5 jaar! De crisis in de eurozone heeft hier zeker extra aan bijgedragen.

Ik denk dat een andere reden van het veel minder duidelijke verband in Nederland te maken heeft met het feit dat onze AEX bestaat uit een aantal grote multinationals. Bedrijven die veel meer gelinkt zijn aan de wereldwijde economie dan aan de Nederlandse economie. Wanneer wij de AEX in één grafiek tonen met de Amerikaanse werkloosheid, dan klopt het verband weer een stuk beter!

De belangrijkste arbeidsmarktindicator, het werkloosheidspercentage, legt allerlei verbanden bloot. Wij staan nu op een langjarig dieptepunt. Een punt wat in voorgaande economische cycli vaak een omslagpunt was. Het zal u niet verbazen dat de maandelijkse cijfers over de werkloosheid, de loongroei en het aantal vacatures belangrijke arbeidsmarktindicatoren zijn in mijn kwantitatieve model. Een model waarop mijn beleggingsbeslissingen mede worden gebaseerd.

 

 

Marco Knulst

Marco Knulst studeerde in 2000 af aan de VU te Amsterdam tot Register Beleggingsanalist (RBA). Zijn passie voor beleggen begon echter al in 1993 toen hij zijn afstudeerscriptie schreef over de euforie van het beursjaar 1993. Vanaf 1995 adviseerde hij de zeer vermogende particulieren in de regio Zeeland en West-Brabant voor achtereenvolgens Rabobank, Van Lanschot Bankiers en MeesPierson. In 2007 was hij medeoprichter van de beleggingsonderneming De Jonge & Knulst Vermogensadvies te Goes. Sinds 2015 richt Marco zich met zijn nieuwe onderneming Golden Crosses specifiek op coaching, begeleiding en educatie van de belegger. Beleggen is Marco’s grootste passie en beleggers wijzer maken in beurszaken is zijn missie. Twitter: @mjknulst

Geef een reactie