--- ---

Het aandeel duurzame energie in Nederland ligt nu op een bescheiden 6%. De uitgesproken ambities van het kabinet Rutte III zeker niet. Het nieuwe kabinet mikt op een CO2 reductie van maar liefst 49% in 2030 ten opzichte van het niveau van 1990. Ook op Europees niveau legt men de lat hoog. 27% van de opwekking van energie moet in 2030 van duurzame bronnen komen. En dit zal daarna alleen maar toenemen. Op termijn zal volgens schattingen duurzame energie wereldwijd de dominante bron van energie opwekking worden en zal het kolen en gas voorbij streven.

Source: International Energy  Agency (IEA)

Windenergie op zee gaat een grote rol spelen om duurzame ambities te halen. Dit is een nog jonge industrie. Shell was tien jaar geleden de eigenaar van het eerste offshore windpark, bestaande uit 36 turbines voor de kust van Egmond aan Zee. Sindsdien is het hard gegaan en staan er ongeveer 300 windmolens voor de kust van Nederland, en maar liefst meer dan 3000 totaal in de Europese wateren. Deze zijn goed voor zo’n 13 GigaWatt (GW) aan vermogen. Onderzoeksbureau WindEurope verwacht dat dit per jaar met 3 tot 4GW groeit tot 64GW in 2030. De aantrekkelijkheid van windparken op zee wordt ook gedreven door de steeds lagere kostprijs per eenheid energie. Naast toenemende schaalgrootte, een gunstige staalprijs en lage rente neemt het vermogen per turbine ook nog steeds toe. Hierdoor kan offshore windenergie steeds meer concurreren met andere duurzame energievormen. Door de lagere kostprijs is de eerste ‘subsidieloze’ aanbesteding ook in Nederland een feit. Het Zweedse Vattenfall, de moeder van Nuon, won vorige maand de tender voor de aanleg van windpark Hollandse Kust Zuid. Tot 2023 legt men in Nederland vijf windparken aan van 0.7 GW per park.

Source: SIF, MAKE Consultants

 

Een aantal Nederlandse ondernemingen spint garen bij deze ontwikkelingen. Boskalis schat dat in de Europese markt voor offshore wind zo’n €1,7 miljard per jaar te verdelen is voor toeleveranciers. Verdeeld naar activiteiten met betrekking tot het leggen van kabels binnen een windparknetwerk, het maken en installeren van de fundering en naar de kabels die de elektriciteit transporteren naar het vasteland. Veel maritieme ondernemingen zijn hard getroffen door de malaise in de olie- en gasmarkt. Hoewel nog bescheiden op groepsniveau, zijn de duurzame energie activiteiten op zee een zeer welkome bron van inkomsten.

Source: Company data, NNIP

Bij SIF uit Roermond maken ze funderingen voor windturbines, de zogenaamde monopiles. Met het Duitse EEW verdeelt SIF de markt voor de funderingen voor de Noordzee. Samen hebben zij een marktaandeel van zo’n 75%. Aangezien de windparken in steeds diepere wateren worden geplaatst en de turbines zwaarder worden zijn er XL monopiles nodig, die een diameter hebben van 11 meter. De complexiteit neemt dus toe, wat zorgt voor hoge toetreding barrières. Wel hebben ook BAM en SBM Offshore alternatieve funderingen ontwikkeld, die meer geschikt zijn voor diepere wateren. Vooralsnog zijn monopiles eerste keus. Om de toenemende vraag aan te kunnen heeft SIF een nieuwe assemblagefabriek op de Maasvlakte in gebruik genomen waardoor de capaciteit met eenderde stijgt. 90% van omzet bij SIF komt uit de productie van funderingen. Voordat deze monopiles geplaatst kunnen worden komen spelers als Fugro en Boskalis om de hoek kijken. Fugro doet onder meer bodemonderzoek en geeft geologisch advies aan de ontwikkelaars van windparken. Fugro haalt circa 10% van haar omzet uit dit segment. Ook Boskalis haalt momenteel ongeveer 15% van haar omzet uit offshore wind gerelateerde activiteiten, en dan vooral door het leggen van kabels. De niet beursgenoteerde ondernemingen Van Oord en IHC zijn ook actief op dit gebied. Twentsche Kabel (TKH) maakt de zogeheten subsea-kabelsystemen voor het onderling verbinden van de windparken. Speciaal hiervoor heeft de onderneming een fabriek verbouwd.

De vooruitzichten voor de spelers in windenergie zijn dus gunstig, maar uiteraard zijn er risico’s. De projecten zijn groot en dit kan betekenen dat de orderinname een grillig karakter heeft. En dit heeft weer negatieve effecten voor de bezettingsgraden van de toeleveranciers. Ook vinden er regelmatig vertragingen plaats doordat bijvoorbeeld milieuorganisaties bezwaren hebben. Doordat het een relatief jonge industrie is zijn er veel leereffecten maar ook executierisico’s die niet voorzien waren. Zo moest SIF bijvoorbeeld vorig jaar melden dat het niet verwachte kosten moest nemen voor de nieuwe fabriek op de Maasvlakte. Dit namen beleggers de onderneming niet in dank af.

Door de steeds scherpere aanbestedingen zullen de uitbaters van de windparken zeer scherp op de kosten letten. Dit zal zijn weg vinden in de gehele waardeketen en het is de nog maar de vraag hoe groot de onderhandelingskracht van de toeleveranciers is. Tenslotte is er het risico dat de ontwerpers te laag geboden hebben in de veilingen van nieuwe kavels. Als blijkt dat opbrengsten (de stroomprijs) en kostprijs de komende jaren niet de gewenste ontwikkeling doormaken kan bijvoorbeeld Vattenfall, de winnaar van het Nederlandse ‘subsidieloze’ windpark, hun vergunning teruggeven.

Arjan Palthe

Arjan werkt als fondsbeheerder ruim vier jaar bij NN Investment Partners. Hij is daar verantwoordelijk voor de Nederlandse aandelenbeleggingen en beheert het NN Dutch Fund. Zijn werkwijze bestaat uit een fundamentele, ‘bottom-up’ benadering van ondernemingen waarbij ook veelvuldig contact met het management een belangrijk onderdeel is. Na de afronding van de studie Bedrijfseconomie aan de Rijks Universiteit Groningen werkt Arjan sinds 2000 als fondsbeheerder, onder meer bij Kempen & Co en ABN AMRO.  De informatie in deze column is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.

Geef een reactie